Waarom Pools leren in Nederland een goed idee is!


In de korte film ‘Waarom Pools leren in Nederland een goed idee is!’ geven verschillende Nederlanders vijf redenen om Pools te leren. Zo komt de opkomende Poolse economie aan de orde, maar ook de mogelijkheden die Polen te bieden heeft als vakantieland, of de schoonheid van de Poolse literatuur. Vanuit mijn achtergrond vertel ik kort iets over de eeuwenoude banden tussen Nederland en Polen.

De film is gemaakt door de Stichting Pools Centrum voor Onderwijs en Cultuur ‘Lokomotywa’ te Amsterdam en is hier te bekijken.

Foreign Eyes on the Republic: A conference in Nijmegen

On the 21st and 22nd of February 2019, researchers from both the Netherlands and abroad took part in a conference entitled ‘Foreign Eyes on the Republic: European Perspectives on the Republic and the Dutch in the Long Eighteenth Century’, organised by Alan Moss and myself at Radboud University in Nijmegen. The conference was funded by the Dutch-Belgian Society of Eighteenth-Century Studies and aimed to consider various perspectives of foreigners on the Dutch Republic during the long eighteenth century.

In my own paper, I made a comparison between the topics discussed in seventeenth- and eighteenth-century Polish travel accounts of the Dutch Republic. A full description of all papers can be found on the conference’s website.

Brexit, the Polish Sejm and the dangers of perceived chaos

A meeting of the Polish Sejm during the reign of August II

The current Dutch reactions to the developments surrounding brexit resemble eighteenth-century responses to the Polish-Lithuanian Commonwealth. Much like brexit, the Polish-Lithuanian state became associated with political chaos. Reactions ranged from disbelief and pity to outright mockery. In addition, Poland-Lithuania became viewed as being ‘ill’. By the end of the eighteenth century, a disorderly situation could be called ‘een Poolse landdag’, i.e. a meeting of the Polish Sejm. These negative perceptions partly legitimised the eventual partitions of the country, which vanished from the map of Europe in 1795.

For Over de Muur, I wrote a more in-depth analysis of the similarities between the responses to brexit and to eighteenth-century Poland-Lithuania.

Lezing: Een Poolse Prins bij Breda


Op 22 januari gaf ik een lezing in het Design Museum te ‘s Hertogenbosch. Ik verzorgde de openingslezing in een reeks erfgoedcolleges, georganiseerd door de Erfgoed Brabant Academie. Ondanks de sneeuw was er een goede opkomst. Mijn lezing ging over het bezoek van de Poolse kroonprins Ladislas Sigismund Vasa aan het Beleg van Breda in 1624, alsmede over het literaire voortleven van die gebeurtenis in met name de Poolse literatuur. Ik schreef er al eerder een korte blog over, naar aanleiding van een artikel dat ik aan het onderwerp gewijd heb.

Dutch views of the Polish-Lithuanian state system

At Queens’ College, Cambridge, together with Lotte Jensen and Fons Meijer

This week, I presented a paper at the Monarchy and Modernity since 1500 conference, organised by the University of Cambridge on January 8 and 9. My paper was entitled A(n Im)perfect System. Dutch views of the Polish-Lithuanian Political System in the Seventeenth and Eighteenth Centuries. I discussed why the state system of the Polish-Lithuanian Commonwealth – even though it was similar to popular rebulican theories formulated in the Northern Netherlands around the year 1600 – was apparently never considered a serious option by Dutch political thinkers. I argued that this was due to the negative opinion the Dutch had of Polish-Lithuanian nobles, who were said to enjoy too much freedom and mistreat their farmers. In the eighteenth century, the ‘chaotic’ Polish Sejm meetings gave rise to the idea that Poland-Lithuana was an anarchic state, rather than a model of freedom. Since then, a disorderly situation is often called ‘een Poolse landdag’.

Two colleagues from Radboud University Nijmegen also presented a paper. Prof. dr. Lotte Jensen and Fons Meijer MA analysed the responses of four Dutch kings to major natural disasters during the nineteenth century. See Dealing with Disasters for more information.

Kerstmis 1645: De Poolse Koningin bezoekt de Republiek

De feestdagen waren in december 1645 nog nét iets bijzonderder dan andere jaren. De nieuwe koningin van Polen, Marie-Louise de Gonzague, bracht toen namelijk een bezoek aan de Nederlandse Republiek. In november was ze in Parijs getrouwd met de handschoen (d.w.z. bij verstek van haar bruidegom), met de Poolse koning Władysław IV Waza. Nu reisde ze met haar gevolg vanuit Frankrijk naar Warschau, waar in maart 1646 het echte huwelijk zou plaatsvinden.


Joost van den Vondel schreef speciaal voor die gelegenheid een aantal gedichten. Het belangrijkste (en langste) stuk is getiteld Geluck aen Louyze Marie, Koningin van Polen en Sweden, Hertogin van Mantua en Nevers. Daarnaast zijn er enkele kortere composities: By-schriften op d’Afbeeldinge van de Koninklijcke Bruit van Polen, Op Uladislaus, Koning van Polen en Sweden en Aen de Heeren Gezanten van Polen.

In de gedichten steekt Vondel de loftrompet op de nieuwe Poolse koningin, haar echtgenoot, de Poolse gezanten die haar kwamen ophalen en Polen als geheel. Twee thema’s spelen met name een belangrijke rol: Polen als beschermer van het christelijk Europa en Polen als graanschuur van de Nederlandse Republiek. Zo schrijft Vondel in Geluck aen Louyze Marie bijvoorbeeld:

                                Uw Bloem [de lelie] in onse Koren-schoof
                                Verçiert het Katholijck Geloof,
                Verbint Françoisen en Sarmaten [de Polen];
                De zuilen van de Kriste Staten.

We kunnen ons afvragen wat Vondel hier precies mee hoopte te bereiken. Noch Marie-Louise, noch Władysław IV, noch de Poolse gezanten konden immers Nederlands lezen. Het is wel geopperd dat Vondel de stukken schreef in Parijs, waar hij het huwelijk met de handschoen aanschouwd kon hebben. Misschien heeft hij zijn gedichten destijds aan de koningin en de gezanten gegeven, in de hoop dat iemand ze voor hen zou kunnen vertalen. Op die manier zou Vondel in de gunst kunnen komen bij de nieuwe Poolse koningin en haar gemaal.  

Na bezoekjes aan Brussel en Antwerpen, reed Marie-Louise via onder andere Tilburg (mijn geboortestad!) richting Holland. Het was een bijzonder strenge winter. De Pool Stanisław Oświęcim, een lid van het Poolse gezantschap, die echter wegens ziekte wat later uit Antwerpen was vertrokken, had een ellendige kerstnacht. Maar de volgende ochtend maakte hij iets heel bijzonders mee:

Nadat we daar [in Schiedam] de nacht op een lege maag hadden doorgebracht (we konden nergens eten krijgen), zagen we in de ochtend dat alle rivieren en grachten door één nachtvorst opeens zo bevroren waren, dat we er met de slee overheen konden rijden alsof het aarde was (sleeën worden hier trouwens niet door paarden voortgetrokken, maar worden voortgeduwd door boeren, die met schaatsen onder hun voeten gebonden [over het ijs] glijden en erg snel rennen). Nadat we in Delft gegeten hadden, reden we voor de overnachting door naar Den Haag.

Aert van der Neer, Riviergezicht bij winter (1630-1660)

De koningin had een andere route genomen. Op eerste kerstdag arriveerde ze in Utrecht, waar ze volgens de Franse schrijver Jean le Laboureur werd begroet door een enorme menigte burgers, die ook nu weer op schaatsen over de grachten gleden. Dezelfde auteur vertelt hoe Marie-Louise op tweede kerstdag een bezoek bracht aan “de tiende Muze, een van de wonderen van haar eeuw en van haar sekse”: de beroemde taalkundige, theologe, kunstenares en dichteres Anna Maria van Schurman. Marie-Louise bewonderde Van Schurmans zelfgemaakte kunstwerken (onder andere schilderijen) en was vol ontzag voor haar talenkennis (Le Laboureur noemt het Italiaans, Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Duits, Nederlands, Hebreeuws, Syrisch en Chaldeeuws).

De volgende dag trok de koningin naar Amsterdam. Omdat ze echter zonder al te veel poespas onthaald wilde worden, had ze de stad daar niet van op de hoogte gesteld. Prins Willem van Oranje, de zoon van stadhouder Frederik Hendrik, had haar al gemist in Utrecht, nu miste hij haar ook in Amsterdam. Kennelijk had de stad echter toch gehoord over het aanstaande hoge bezoek, want bij haar aankomst werd Marie-Louise begroet door een eregarde van ongeveer duizend soldaten en een salvo kanonschoten.

Op 28 december kwam het dan eindelijk tot een ontmoeting tussen Marie-Louise en Prins Willem. Om haar wat vermaak te bieden, nam Willem zijn gast twee dagen later mee naar de Amsterdamse Schouwburg. De koningin zou getrakteerd worden op optredens van Aran en Titus, het populaire treurspel van Jan Vos, en de klucht Lichte Klaartje van Jillis Noozeman. Helaas voor Willem pakte de avond anders uit dan verwacht. Volgens Le Laboureur wilde Marie-Louise de Schouwburg zelf wel zien, maar trok ze zich voor het begin van de voorstelling terug, omdat ze het Nederlands niet machtig was.

Oud en Nieuw bracht Marie-Louise weer door in Utrecht. Prins Willem vroeg haar nog wat langer te blijven, zodat hij voor haar een bal zou kunnen organiseren, maar daar kon de koningin geen tijd voor vrijmaken. Op 1 januari 1646 vertrok ze richting Gelre. Toch zal Marie-Louise de eerste kerst en Oud en Nieuw die ze als koningin van Polen doorbracht in de Nederlandse Republiek niet snel zijn vergeten.

De meest Nederlandse stad van Polen

Het Rechtsstadsraadhuis en de Neptunusfontein

Afgelopen week was ik voor mijn onderzoek in Gdańsk, de grootste haven en “meest Nederlandse stad van Polen”.* Eeuwenlang was Gdańsk (in de Nederlanden destijds bekend als Danzig, Dantsick, Danswijk en nog een aantal varianten) verreweg de belangrijkste handelspartner van Amsterdam – en daarmee eigenlijk van de hele Republiek. De plaatselijke bibliotheken en archieven liggen dan ook vol met documenten die getuigen van deze nauwe contacten, die uiteraard ook hun weerslag hadden op de diplomatie, kunst en literatuur. Ik kwam terug met duizenden foto’s van onder andere brieven, reisverslagen en gedichten.

De banden tussen Gdańsk en Amsterdam zijn ook zichtbaar buiten de archieven. Hoewel de stad zwaar heeft geleden onder de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog, draagt het oude centrum nog altijd duidelijk herkenbare ‘Nederlandse’ sporen (ik gebruik aanhalingstekens om aan te geven dat ‘Nederlands’ in dit geval betrekking heeft op meer dan alleen het gebied van het huidige Nederland). Sommige straten staan vol met typisch Hollandse geveltjes.

De Hoge Poort

Het uiterlijk van de stad is bovendien in hoge mate bepaald door Brabantse architecten, die het Noordelijk Maniërisme meenamen naar het Baltische Zeegebied. De Mechelse Willem van den Blocke, bijvoorbeeld, ontwierp de in 1588 voltooide Hoge Poort. Zijn zoon Abraham werkte vervolgens samen met de Pool Jan Strakowski en de eveneens uit Mechelen afkomstige Anthonis van Obbergen mee aan het ontwerp van “het mooiste oude gebouw” van de stad: het Arsenaal.** Aan Van Obbergen, die in 1586 naar Gdańsk was verhuisd, worden ook het Deense slot Kronborg, het Oudestadsraadhuis van Gdańsk en het Oude Raadhuis van Toruń (eveneens in Polen) toegeschreven. De vormgeving van het Arsenaal zou geïnspireerd zijn op de Vleeshal van Haarlem.

Het Arsenaal

‘De Apotheose van Gdańsk’, door Izaak van den Blocke

Ook in een ander iconisch gebouw, het Rechtsstadsraadhuis, zijn de Nederlanden en het Noordelijk Maniërisme goed vertegenwoordigd. In de zogenaamde Rode Zaal, de belangrijkste vergaderruimte van de stad, vinden we onder andere een schouw vervaardigd door Willem van der Meer uit Gent en schilderijen van de hand van Hans Vredeman de Vries uit Leeuwarden, zijn zoon Paul en zijn leerling Izaak van den Blocke – een andere zoon van de hierboven genoemde Willem van den Blocke.

Mocht je zelf naar Gdańsk willen afreizen om je te vergapen aan deze en andere ‘Nederlandse’ sporen, dan kun je je trip nog ‘Nederlandser’ maken door te overnachten in het aan de Lange Markt gelegen Holland House Residence-hotel (met op de gevel de tekst ‘Holland Huis/Dom Holenderski’). Bovendien kun je een hapje eten bij restaurant Latający Holender: de Vliegende Hollander.

* T. Grzybkowska, ‘Niderlandyzm w sztuce gdańskiej’, in: T. Hrankowska (ed.), Niderlandyzm w sztuce polskiej (Warszawa: Wydawnictwo Naukowe PWN 1995), p. 93.

** H.Ch.G.J. van der Mandere, ‘Door den Poolschen corridor’, De Nieuwe Gids 48 (1933), p. 524.

Arend Dickmann: Een Pools-Nederlands-Duitse zeeheld

Precies 391 jaar geleden, op 4 december 1627, vond in Gdańsk een belangrijke gebeurtenis plaats. Een mooi rond getal was natuurlijk aansprekender geweest, maar negen jaar wachten met schrijven is ook weer zoiets.

Maar goed, zoals ik al zei: 391 jaar geleden gebeurde in Gdańsk dus iets bijzonders. Met veel vertoon werd de laatste eer bewezen aan een aantal zeehelden, die werden begraven in de grootste kerk van de stad, de Mariakerk. De zeelieden waren gesneuveld in de Slag bij Oliwa, waarbij op 28 november de Zweedse vloot door de Polen was verslagen. Een van de gevallenen was de Poolse admiraal, met de opvallend Nederlands klinkende naam Arend Dickmann. Het is de moeite waard om wat langer stil te staan bij deze intrigerende figuur en zijn weinig bekende geschiedenis.

Arend Dickmann op een Poolse medaille uit 1993

De zeeslag was onderdeel van een oorlog die was begonnen in 1626, toen de Zweedse koning Gustavus II Adolphus Pools Pruisen was binnengevallen. Gdańsk was als belangrijkste havenstad van Polen-Litouwen en het hele Oostzeegebied de grootste twistappel van het conflict, maar het lukte Gustavus niet om de stad in te nemen.

De Slag bij Oliwa, vlakbij Gdańsk, werd gadegeslagen door een Nederlandse diplomatieke delegatie, die was komen onderhandelen over een Pools-Zweedse vrede. Een secretaris van de missie, Abraham Booth, schreef er onder meer het volgende over:

“(…) naer een vier uyrige onseeckere Bataille [is] eyntelijck de Victorie aende Poolsche oft Dantzicker zijde ghebleven, die het Admiraelschip (vermits den Admirael doort afschieten van den eenen Arm gestorven, ende seeckeren Jonghen die de Lont om’t Kruyt aen te steecken gereet hadde, het Hooft afgeschooten, was) bekomen ende daer naer binnen ghebracht hebben (…).”

De Slag bij Oliwa afgebeeld in het verslag van Abraham Booth

Admiraal Arend Dickmann (of Arendt/Arndt Dickman/Dijckman) had de Polen de overwinning gebracht. Bij het enteren van het Zweedse vlaggenschip had een kanonskogel echter zijn benen geraakt, waarna hij als een ware zeeheld in de strijd was gesneuveld. Ook een kapitein van de Poolse vloot, Jan Storch, had de strijd niet overleefd. Op 4 december werden hun lichamen, samen met dat van de Zweedse admiraal Nils Stiernsköld, bijgezet in de Mariakerk. Booth beschreef de begrafenis als volgt:

“Den 4. Decembris naer den middach, is den Dantzicker Admirael ende een Capiteyn die int den slach ter Zee, (die voorleden Maent ghehouden) waren ghebleven : met groote solemniteyt (gaende de Gevangene Sweden tot by de hondert voor-aen, twee en twee aenden andere ghebonden) ter aerden ghebracht, de Krijghs-Commissarisen van den Coninck van Poolen ende de gantsche Magistraet van Dantzick waren mede ter lijck-statie. De Sweetschen Admirael Sternschilt, die als te vooren gheseyt is, doort afschieten van eenen Arm mede ghebleven was [oftewel gestorven – PH], wiert oock daer naer ter Kercken ghebracht, ende in seecker Capelle gheset, tot naerder ordre.”

Als we online naar informatie zoeken over Arend Dickmann, komen we steeds hetzelfde verhaal tegen: hij zou een Nederlander zijn geweest, die begin zeventiende eeuw al naar Gdańsk was verhuisd. Bovendien zou hij niet op 4, maar op 2 december zijn begraven.

Om met dat laatste te beginnen: zowel het verslag van Abraham Booth als de in Gdańsk gedrukte lijkrede op Dickmann, vermelden als datum van de begrafenis 4 december. Hoe men dus bij 2 december is gekomen, is mij een raadsel (misschien heeft het iets te maken met uiteenlopende kalenders, maar dat soort zaken levert volgens mij doorgaans grotere verschillen op).

Een gezicht op Gdańsk uit 1575 (met rechts van het midden de grote Mariakerk)

Een belangrijkere zaak betreft echter de afkomst van de admiraal. Volgens diverse websites en een Pools biografisch woordenboek heette Dickmann eigenlijk Dijckman en kwam hij oorspronkelijk uit Delft. Hij zou dus niet alleen (of: zozeer) een Poolse, maar ook (of: als wel) een Nederlandse zeeheld zijn. Dickmann klinkt inderdaad als Dijckman, maar het bewijs voor zijn Nederlandse afkomst blijkt bij nader inzien dun.

Vermoedelijk baseert het Poolse biografische woordenboek zich op informatie uit de Duitstalige lijkrede, die werd uitgesproken door Jan Jacob Cramer, een plaatselijk bekende priester. Volgens die tekst was Dickmann in 1572 geboren in “Carspel Delffe” te “Ditmarsen”, en was hij na reizen door onder andere Engeland, Spanje en Italië naar Gdańsk gekomen. “Delffe” lijkt sterk op Delft, waardoor de Poolse biograaf geconcludeerd moet hebben dat Dickmann’s familie daarvandaan kwam. In “Ditmarsen”, de Duitse regio Dithmarschen, zou de toekomstige admiraal vervolgens een deel van zijn jeugd hebben doorgebracht.

Er valt echter een en ander aan te merken op een dergelijke interpretatie. Ten eerste zegt de lijkrede simpelweg niets over een familie uit Delft of een in Duitse gebieden doorgebrachte jeugd. Ten tweede gaat een “Nederlandse” lezing voorbij aan de dubbele plaatsnaam: “Carspel Delffe”. Dat lijkt al een stuk minder op Delft (al kan “Karspel” of een variant daarop ook “kerkgemeente” betekenen). Als we uitgaan van “Carspel Delffe” als geboorteplaats van Dickmann, stuiten we echter op het volgende probleem: in Dithmarschen komt deze plaatsnaam niet voor. Er zijn wel plaatsen die doen denken aan een van de twee namen (“Katrepel/Kattrespel” en “Delste”, bijvoorbeeld), maar dat verklaart niet waarom “Carspel” en “Delffe” door Cramer aan elkaar gekoppeld zijn.* Wat betreft de mogelijk Nederlandse afkomst van Dickmann kunnen we ons bovendien afvragen of Abraham Booth, tenslotte zelf een Nederlander, niet vermeld zou hebben dat de admiraal een landgenoot van hem was. In plaats daarvan wordt Dickmann enkel “den Dantzicker Admirael” genoemd. Hoe dan ook is hij uiteindelijk de geschiedenis ingegaan als Poolse zeeheld van Nederlandse komaf.

Het graf van Dickmann in de Mariakerk te Gdańsk

De herkomst van Arend Dickmann blijft  voorlopig een mysterie. Gelukkig is zijn laatste rustplaats wel precies bekend: ruim tien jaar geleden hebben Poolse archeologen het graf van de roemrijke admiraal in de Mariakerk teruggevonden. Een nieuwe gedenkplaat herinnert nu aan de winnaar van de Slag bij Oliwa, ongeacht of hij nu een Poolse, Nederlandse of Duitse zeeheld was – of een beetje van allemaal.

 

 

*Voor zover ik kan nagaan, werd dit voor het eerst opgemerkt door Edmund Kotarski, in Gdańska poezja okolicznościowa XVII wieku (Gdańsk: Instytut Bałtycki 1993), p. 352, n. 36.

 

The Owl King, Or: A Seventeenth-Century Pun

Do you like a good pun? I know I do, and people have been loving wordplay for centuries. Some time ago, I came across the following seventeenth-century example, which is not only amusing, but also relates to my research – albeit in a small way.

In 1640, the Dutch Protestant preacher Conradus Goddaeus published a Latin book entitled Laus Ululae, which translates as The Praise of the Owl. The work falls into the category of the so-called paradoxical encomium, or satirical eulogy, which became exceedingly popular following the success of Erasmus’s Moriae Encomium, The Praise of Folly. Illustrations adorning both the book’s frontispiece and the title page, moreover, show an owl looking into a mirror: a clear reference to the well-known tales of Till Eulenspiegel. In the Laus Ululae, Goddaeus (who used the pseudonym Curtius Jael) jokingly praises the owl and elaborately discusses the bird’s many traits and (sometimes strikingly human) virtues. P.C. Hooft gave the book a positive “review”, and its numerous reprints suggest that it was quite popular during the seventeenth century. It was also translated into Dutch (1664) and English (1727).

What makes this book interesting for me is its title page, which is filled with puns. In the first few editions, issued during the 1640s, the imprint information reads as follows: Prostat GLAUCOPOLI Apud Caesium Nyctimenium, In platea Ulularia, sub signo ULADISLAI Regis Poloniae. This can be translated as: For sale in Owl City at Caesius (the “blue-grey”) Nyctimenius (“moonlit-night”) on Owl Street, under the sign of Władysław, King of Poland.

The play on Greek and Latin words would have been obvious to most learned readers (Glaucopoli, for example, is simply a combination of the Greek words γλαῦξ, meaning “owl”, and πόλις, meaning “city”). But what is Władysław, the King of Poland, doing on that title page?

Let us first establish who this king was. Between 1632 and 1648, the Polish-Lithuanian Commonwealth was ruled by Władysław IV Waza. As the Laus Ululae was first published in 1640, Goddaeus was obviously referring to the Polish monarch in power at the time. Indeed, this is confirmed by the fact that the Latin editions printed after 1648, the year in which Władysław died, no longer feature him on their title page.

Still, this does not explain why Goddaeus chose to suggest that his work could be purchased at a bookseller who had a shop sign showing Władysław IV Waza. Of course, there was no such sign, just as there was no Owl City, no Owl Street and no bookseller named Caesius Nyctimenius. It has been suggested that Goddaeus, a Protestant preacher, referred to the Catholic Polish monarch in order to mock him, and this is not altogether impossible: after all, the entire book is a satirical eulogy. Tying it to Władysław so explicitly by bringing to mind his portrait, and implying that the bookseller had selected the Polish king’s face as his shop’s “logo”, can easily lead one to think of Władysław as “The Owl King”. This may sound cool, perhaps, but taking into account the fact that the Laus Ululae is nothing but satire, any association between the Polish king and owls can hardly be read as a compliment.

Yet the main reason why Goddaeus introduced Władysław on the title page is arguably much simpler. As mentioned, the imprint information is full of puns, and Władysław’s name is used as such as well. The Latin spelling of Władysław is Ladislaus or Vladislaus, which can also be spelled as Uladislaus. Compare this to the title of Goddaeus’s book, and the similarities between the two will immediately become apparent. On one of the edition’s title pages, in fact, the “U” is even intentionally separated from the rest of the king’s name, making it impossible to miss Goddaeus’s joke.

The pun was not lost on the Dutch audience. In 1664, a Dutch translation of the text was published, including a translated version of the original title page (even though, as mentioned, Władysław had died in 1648). Naturally, the play on words had to be rendered in Dutch as well: the book is now said to have been published in “Glaskou” (“Glasgow”, a playful reference to γλαῦξ), at a bookseller named “Graauaardt Nagtenrijk” (something along the lines of “Greyman Nightrealm”) on “Uyle-straat” (“Owl Street”). Moreover, the king’s name has been adapted to incorporate “uyl”, the Dutch word for “owl”, and ends with a “y” in order to mirror the Latin original’s genitive (“Uladislai”). The imprint information thus concludes with “in Uyladislay, Kooninck van Poolen”, which can be translated as “in [the shop beneath the sign of] Owladislaus, King of Poland”.

The case shows us how a Polish monarch made his way into Dutch seventeenth-century “popular” culture: starting in 1640, a pun featuring Władysław IV Waza was putting smiles on Dutch faces. Indeed, it even managed to put one on mine in 2018.

Een Poolse Prins in Brabant

In 1624 bracht Ladislas Sigismund Vasa, kroonprins van Polen-Litouwen, een spannend bezoek aan het Beleg van Breda. Het fraai vormgegeven In Brabant. Tijdschrift voor Brabants erfgoed publiceerde deze maand een artikel van mijn hand over dat bezoek. Ik vertel daarin over de historische context van deze gebeurtenis, behandel aan de hand van ooggetuigenverslagen het verloop ervan, en ga in op het naleven van het bezoek in met name het Pools-Litouwse Gemenebest. Rondvliegende kanonskogels, maansverduisteringen, baarden met geheime brieven erin: het komt allemaal langs!

Het artikel is hier te lezen.