Kerstmis 1645: De Poolse Koningin bezoekt de Republiek

De feestdagen waren in december 1645 nog nét iets bijzonderder dan andere jaren. De nieuwe koningin van Polen, Marie-Louise de Gonzague, bracht toen namelijk een bezoek aan de Nederlandse Republiek. In november was ze in Parijs getrouwd met de handschoen (d.w.z. bij verstek van haar bruidegom), met de Poolse koning Władysław IV Waza. Nu reisde ze met haar gevolg vanuit Frankrijk naar Warschau, waar in maart 1646 het echte huwelijk zou plaatsvinden.


Joost van den Vondel schreef speciaal voor die gelegenheid een aantal gedichten. Het belangrijkste (en langste) stuk is getiteld Geluck aen Louyze Marie, Koningin van Polen en Sweden, Hertogin van Mantua en Nevers. Daarnaast zijn er enkele kortere composities: By-schriften op d’Afbeeldinge van de Koninklijcke Bruit van Polen, Op Uladislaus, Koning van Polen en Sweden en Aen de Heeren Gezanten van Polen.

In de gedichten steekt Vondel de loftrompet op de nieuwe Poolse koningin, haar echtgenoot, de Poolse gezanten die haar kwamen ophalen en Polen als geheel. Twee thema’s spelen met name een belangrijke rol: Polen als beschermer van het christelijk Europa en Polen als graanschuur van de Nederlandse Republiek. Zo schrijft Vondel in Geluck aen Louyze Marie bijvoorbeeld:

                                Uw Bloem [de lelie] in onse Koren-schoof
                                Verçiert het Katholijck Geloof,
                Verbint Françoisen en Sarmaten [de Polen];
                De zuilen van de Kriste Staten.

We kunnen ons afvragen wat Vondel hier precies mee hoopte te bereiken. Noch Marie-Louise, noch Władysław IV, noch de Poolse gezanten konden immers Nederlands lezen. Het is wel geopperd dat Vondel de stukken schreef in Parijs, waar hij het huwelijk met de handschoen aanschouwd kon hebben. Misschien heeft hij zijn gedichten destijds aan de koningin en de gezanten gegeven, in de hoop dat iemand ze voor hen zou kunnen vertalen. Op die manier zou Vondel in de gunst kunnen komen bij de nieuwe Poolse koningin en haar gemaal.  

Na bezoekjes aan Brussel en Antwerpen, reed Marie-Louise via onder andere Tilburg (mijn geboortestad!) richting Holland. Het was een bijzonder strenge winter. De Pool Stanisław Oświęcim, een lid van het Poolse gezantschap, die echter wegens ziekte wat later uit Antwerpen was vertrokken, had een ellendige kerstnacht. Maar de volgende ochtend maakte hij iets heel bijzonders mee:

Nadat we daar [in Schiedam] de nacht op een lege maag hadden doorgebracht (we konden nergens eten krijgen), zagen we in de ochtend dat alle rivieren en grachten door één nachtvorst opeens zo bevroren waren, dat we er met de slee overheen konden rijden alsof het aarde was (sleeën worden hier trouwens niet door paarden voortgetrokken, maar worden voortgeduwd door boeren, die met schaatsen onder hun voeten gebonden [over het ijs] glijden en erg snel rennen). Nadat we in Delft gegeten hadden, reden we voor de overnachting door naar Den Haag.

Aert van der Neer, Riviergezicht bij winter (1630-1660)

De koningin had een andere route genomen. Op eerste kerstdag arriveerde ze in Utrecht, waar ze volgens de Franse schrijver Jean le Laboureur werd begroet door een enorme menigte burgers, die ook nu weer op schaatsen over de grachten gleden. Dezelfde auteur vertelt hoe Marie-Louise op tweede kerstdag een bezoek bracht aan “de tiende Muze, een van de wonderen van haar eeuw en van haar sekse”: de beroemde taalkundige, theologe, kunstenares en dichteres Anna Maria van Schurman. Marie-Louise bewonderde Van Schurmans zelfgemaakte kunstwerken (onder andere schilderijen) en was vol ontzag voor haar talenkennis (Le Laboureur noemt het Italiaans, Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Duits, Nederlands, Hebreeuws, Syrisch en Chaldeeuws).

De volgende dag trok de koningin naar Amsterdam. Omdat ze echter zonder al te veel poespas onthaald wilde worden, had ze de stad daar niet van op de hoogte gesteld. Prins Willem van Oranje, de zoon van stadhouder Frederik Hendrik, had haar al gemist in Utrecht, nu miste hij haar ook in Amsterdam. Kennelijk had de stad echter toch gehoord over het aanstaande hoge bezoek, want bij haar aankomst werd Marie-Louise begroet door een eregarde van ongeveer duizend soldaten en een salvo kanonschoten.

Op 28 december kwam het dan eindelijk tot een ontmoeting tussen Marie-Louise en Prins Willem. Om haar wat vermaak te bieden, nam Willem zijn gast twee dagen later mee naar de Amsterdamse Schouwburg. De koningin zou getrakteerd worden op optredens van Aran en Titus, het populaire treurspel van Jan Vos, en de klucht Lichte Klaartje van Jillis Noozeman. Helaas voor Willem pakte de avond anders uit dan verwacht. Volgens Le Laboureur wilde Marie-Louise de Schouwburg zelf wel zien, maar trok ze zich voor het begin van de voorstelling terug, omdat ze het Nederlands niet machtig was.

Oud en Nieuw bracht Marie-Louise weer door in Utrecht. Prins Willem vroeg haar nog wat langer te blijven, zodat hij voor haar een bal zou kunnen organiseren, maar daar kon de koningin geen tijd voor vrijmaken. Op 1 januari 1646 vertrok ze richting Gelre. Toch zal Marie-Louise de eerste kerst en Oud en Nieuw die ze als koningin van Polen doorbracht in de Nederlandse Republiek niet snel zijn vergeten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *