Nooit gedacht dat mijn onderzoek het centraal eindexamen zou halen, maar dat was buiten het vwo-examen geschiedenis gerekend dat afgelopen maandag plaatsvond: in vraag 1 is sprake van “gedichten en pamfletten (…) die tegen Johan de Witt waren gericht” en tijdens het Rampjaar werden verspreid in Gdańsk (al staat er “Danzig”, waarover straks meer). Toen medeletterkundige en -historicus Alan Moss me het examen toestuurde, dacht ik aanvankelijk dat hij met AI in de weer was geweest om me beet te nemen, maar ik bleek te achterdochtig: mijn onderzoek zit echt in het vwo-eindexamen geschiedenis van 2026, en dat vind ik best een eer.

De afgelopen jaren heb ik in bibliotheken en archieven in Gdańsk en andere Poolse steden tientallen gedichten en pamfletten gevonden over het Rampjaar, die tot nog toe onbekend waren. Dat daar ook pro-De Witt teksten tussen zitten die niet in de examenvraag genoemd worden (en die bovendien deels werden geschreven door auteurs uit Gdańsk zelf), mag mijn pret niet drukken: ik vind het prachtig dat duizenden leerlingen kennis hebben genomen van mijn onderzoek omdat het Cito dat heeft verwerkt in een eindexamen.
Überhaupt vind ik het trouwens mooi dat Gdańsk en Polen zo prominent in het eindexamen zijn beland en daar in verband worden gebracht met bredere Europese ontwikkelingen (en dan niet eens in de context van de Tweede Wereldoorlog of Koude Oorlog). Meer aandacht voor Polen en de rest van Centraal- of Oost-Europa (kies zelf maar) is meer beter, wat mij betreft.
Tegelijk wringt de schoen op een paar plekken. Ik voel me daarom geroepen om wat kritische kanttekeningen te plaatsen (evenals de punten in de examenvraag staan ze in willekeurige volgorde):
1) De formulering “de geschiedenis van de stad Danzig, het huidige Gdańsk in Polen” is niet meer van deze tijd. Hij suggereert namelijk dat “Danzig” de eigenlijke, historisch gezien correcte naam is van de stad, NIET “Gdańsk”, dat in deze formulering slechts een moderne Poolse variant lijkt. De volgende denkstap, die ik mensen geregeld zie maken, is dat de stad van oudsher niet Pools, maar Duits zou zijn. Dat klopt simpelweg niet. Gdańsk maakte tussen 1466 en 1793 deel uit van het Koninkrijk Polen en kende vele namen: Polen noemden de stad Gdańsk, anderen spraken van Dantzick, Danswijk, Gedanum, Dantiscum en nog wat varianten (ik ben er al ik weet niet hoeveel tegengekomen). De oudst bekende vorm (uit de 10e eeuw) is overigens Gydannyzc, wat qua uitspraak lijkt op Gdańsk, maar dat doet er niet eens toe, evenmin als het feit dat de stad in de vroegmoderne periode veel inwoners had uit Duitstalige gebieden (naast mensen uit de rest van Polen, Scandinavië, Schotland, de Lage Landen en andere plekken): mijn punt is dat de formulering in het examen onterecht de historische band tussen Gdańsk en Polen ondergraaft en onbedoeld een narratief bestendigt dat wortelt in 19e– en 20e-eeuws Duits nationalisme / nationaalsocialisme, dat helaas nog altijd doorsijpelt in hedendaagse geschiedschrijving. Ik zie het vaak zat in zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke publicaties, op papier en online. We moeten ervoor waken. Een simpel alternatief zou in dit geval bijvoorbeeld zijn: “de Baltische havenstad Gdańsk, in Polen”, eventueel met de toevoeging “die vroeger ook wel bekendstond als Danzig.”

2) De stelling in punt 5, dat Gdańsk “de kant van de Zweedse koning (moest) kiezen” tijdens de Dertigjarige Oorlog, verbaast me. Misschien doelen de makers van het examen erop dat Zweden in 1626 Polen was binnengevallen en vervolgens tussen 1629 en 1635, als gevolg van een wapenstilstand, tol kon heffen in Gdańsk. Dat duurde echter slechts zes jaar en in die tijd koos de stad niet voor “de kant van de Zweedse koning”, maar bleef juist loyaal aan Polen. Als de auteurs daarnaar wilden verwijzen, had ik dus een andere formulering gekozen dan die nu is gebruikt, zoals: “Tijdens de Dertigjarige Oorlog probeerden Zweedse legers tevergeefs om Gdańsk in te nemen, maar ze slaagden er wel in om daar tijdelijk tol te heffen.”
3) Komend najaar verschijnt er als het goed is een wetenschappelijk artikel van mijn hand over de gedichten en pamfletten in Gdańsk, maar op dit moment is mijn onderzoek hiernaar bij mijn weten alleen publiek toegankelijk in een blogpost die ik een aantal jaren geleden schreef n.a.v. een lezing. Ik ga er daarom vanuit dat het Cito zich op die post heeft gebaseerd. Enerzijds ben ik zoals gezegd blij dat de makers van het examen mijn onderzoek als betrouwbaar hebben bestempeld, anderzijds heb ik mijn twijfels bij het gebruik van blogposts als inhoudelijke basis voor eindexamenvragen (blogs als bronnen waarover leerlingen vragen moeten beantwoorden zijn natuurlijk iets heel anders). Uiteraard vind ik mezelf buitengewoon geloofwaardig, maar toch.
Dat gezegd hebbende: ik blijf het machtig mooi vinden dat ik een bescheiden bijdrage heb kunnen leveren aan het eindexamen en ik daarmee duizenden leerlingen heb bereikt. Een uitstekende vorm van valorisatie/impact!
Op dinsdag 1 juli was het moment daar: ik overhandigde het eerste exemplaar van Krijgstoneel van Europa. Tijdgenoten over het Beleg van Breda 1624-1625 aan de burgemeester van Breda, Paul Depla. Het was de culminatie van een project waar ik met veel plezier aan heb gewerkt en waar ik met evenveel voldoening op terugkijk.





Antwoorden op deze en andere prikkelende vragen zijn te vinden in het nieuwe boek van Nicoline van der Sijs, Dijt onze woordenschat alsmaar uit? Over opbouw en geschiedenis van de Nederlandse woordenschat, dat tegelijk het eerste deeltje is in de nieuwe Open Access reeks ‘Nederlands in het klein’. De reeks is een initiatief van de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur van Radboud University, en wordt uitgegeven door Radboud University Press.






