De dood van de stadhouder en de roem van de prins

Wybrand de Geest, Portret van Hendrik Casimir I, ca. 1632.

Op 12 juli 1640 overleed Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz (1612-1640), de stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe.* Acht dagen daarvoor, op 4 juli, leidde hij in de Slag bij Hulst (in het huidige Zeeland) de aanval op de Spaanse vijand. De aanval mislukte, Hendrik Casimir raakte zwaargewond en ruim een week later overleed hij in fort Sint Anna, in de polder van Namen.

Verschillende interessante bronnen getuigen van deze gebeurtenis. Zo is er een hemd dat Hendrik Casimir vermoedelijk droeg tijdens de Slag, compleet met kogelgat en bloedvlek. Samen met enkele stukjes bot en de fatale kogel maakte het hemd deel uit van de tentoonstelling over de Tachtigjarige Oorlog, die tot begin dit jaar te zien was in het Rijksmuseum. De voorwerpen vormen een tastbaar overblijfsel aan de stadhouder en zijn dood.

Het hemd dat Hendrik Casimir vermoedelijk gedragen heeft tijdens de Slag bij Hulst.

Een ander voorbeeld is een gedicht van Jeremias de Decker (1609-1666), uitgegeven in 1667, waarin Hendrik Casimir wordt opgehemeld. Het lofdicht eindigt met het tragische, doch heldhaftige einde van de stadhouder:

Hoewel u d’eerste wol noch nau aen kin en koonen
                Eens uytbrack als ghy trad in ’t Friesche Staet-bestier;
Ghy wist u niettemin terstond een’ man te toonen,
                Een’ Held in raed en daed, een’ soon van Casimier.
O bloem van Christenrijck! o perle van Europe!
                O tweede schut en scherm van ’t Vrye Nederland!
Wat wierd met u al deugd en op uw’ deugd al hope
                Door een’ pistool-scheut (laes!) gevelt in ’t Vlaemsche sand!

Iemand die deze “pistool-scheut” van dichtbij meemaakte, was de Pools-Litouwse prins en protestant Bogusław Radziwiłł (1620-1669). Deze heethoofdige en avontuurlijke charmeur was op kerstavond 1637 aangekomen in de Republiek om ervaring op te doen in de Nederlandse oorlogsschool. Na een jaar in Groningen te hebben gestudeerd en een tocht te hebben gemaakt “langs alle Hollandse forten”, vocht hij op twintigjarige leeftijd eindelijk mee in zijn eerste veldslag. Aan de zijde van Hendrik Casimir trok hij bij Hulst op tegen de Spanjaarden.

Jeremias Falck (naar D. Schultz), Portret van Bogusław Radziwiłł, 1654.

Bogusławs autobiografie, die hij waarschijnlijk van plan was te publiceren, is overgeleverd in verschillende handgeschreven versies, in zowel het Latijn als het Pools. De auteur probeert zichzelf zo goed mogelijk voor te doen, onder meer door nadruk te leggen op de heldhaftigheid die hij liet zien op de Nederlandse slagvelden. Over zijn deelname aan de Slag bij Hulst schrijft hij in een van de versies het volgende:

“Ik trok linea recta naar het Nederlandse legerkamp en vond het in het dorp Maldegem, een mijl van de Nederlandse stad Sluis, waar we tegen het einde van juni probeerden om het kanaal tussen Brugge en Gent over te steken, maar dat wilde niet lukken. In de eerste dagen van juli trok kolonel Hotrive [een Fransman] naar een fort onder Hulst, genaamd Nassau. Drie dagen later wilde de legerleider Hendrik van Nassau, de stadhouder van Friesland, een ander fort aanvallen, Sint Anna genaamd. Maar nadat er zes stormaanvallen waren afgeslagen, waarbij hij zelf dapper had gevochten, werd hij naast mij met een pistool doodgeschoten. Hij verloor zo’n tachtig officieren en vijftienhonderd man infanterie.
                Dit was mijn eerste veldslag. Mijn paard werd van onder mij vandaan geschoten en de Spanjaarden namen mij gevangen. Maar het gevecht vond ’s nachts plaats en toen de mannen die mij gegrepen hadden ergens van schrokken – ik weet niet waarvan – renden ze weg. Mijn lijfknechten namen destijds de Spaanse grootmeester Lucascair [elders Salascair genoemd] gevangen.”

Of het allemaal echt zo gegaan is, is de vraag: zoals gezegd overleed Hendrik Casimir bijvoorbeeld pas acht dagen later, niet ter plekke. Misschien liet Bogusławs geheugen hem simpelweg in de steek (ook de plaats van handeling klopt immers niet: weliswaar stierf Hendrik Casimir in fort Sint Anna, maar dat is niet waar de strijd plaatsvond). Het is echter goed mogelijk dat hij geprobeerd heeft om zijn eerste veldslag extra spannend weer te geven door de Friese stadhouder te laten sneuvelen aan zijn zijde. Het heroïsche einde van de militaire carrière van Hendrik Casimir was als het ware het enerverende begin van die van Bogusław. Zodoende bevat de autobiografie van de prins niet alleen een boeiend ooggetuigenverslag van de Slag bij Hulst en het einde van Hendrik Casimir, maar laat de tekst ook zien hoe de Friese stadhouder en zijn dood gebruikt werden om indruk te maken op het Poolse leespubliek: als je immers gevochten hebt naast een gesneuvelde held, dan ben je er zelf haast ook een – zo zal Bogusław hebben gedacht.

 

* Voor de volledigheid dient vermeld te worden dat Hendrik Casimir volgens sommige bronnen pas een dag later overleed, op 13 juli.

Pharnaphela: Van Oldenbarnevelt door Poolse ogen

Vierhonderd jaar geleden, op 13 mei 1619, werd Johan van Oldenbarnevelt geëxecuteerd. Het was een politieke aardverschuiving, met verstrekkende gevolgen voor de toekomst van de Republiek. Maar ook voor de rest van Europa was de gebeurtenis van belang. Wat betekende het bijvoorbeeld voor het bestand tussen de Nederlanders en de Spanjaarden, waar Van Oldenbarnevelt zich zo voor had ingezet? Wat voor koers zou de Republiek varen, nu Maurits van Oranje in zijn eentje de touwtjes in handen had? En wat zouden de gevolgen zijn voor de remonstranten, met wie Van Oldenbarnevelt had gesympathiseerd?

Anoniem, De terechtstelling van Van Oldenbarnevelt (achttiende eeuw)

In het Pools-Litouwse Gemenebest, dat een van de belangrijkste handelspartners van de Verenigde Nederlanden was, maar dat politiek en religieus gezien meer aansloot bij de Spanjaarden, zal men de situatie met argusogen hebben gevolgd. In (handgeschreven) nieuwsberichten zal de Poolse adel hebben gelezen over de crisis in de Republiek – mogelijk speelde zelfs de eerste Nederlandse krant van Caspar van Hilten een rol in de Poolse nieuwsvoorziening. De vraag dringt zich op wat de Polen dachten over deze zaak en hoe hij ter sprake komt in ons bronmateriaal. Een buitenlands perspectief op de kwestie kan een interessante bijdrage leveren aan de manier waarop wij tegenwoordig kijken naar Van Oldenbarnevelt en zijn dood.

Helaas heb ik geen relevante bronnen uit het jaar 1619. Ze zullen er ongetwijfeld zijn – bijvoorbeeld in de vorm van de al genoemde nieuwsberichten, of als verslagen van Sejmvergaderingen – , ik heb er alleen niet actief naar gezocht. Toch ben ik Van Oldenbarnevelt twee keer per toeval tegengekomen. In beide gevallen gaat het bovendien om interessante bronnen, die ons veel kunnen vertellen over de manier waarop de Polen aankeken tegen Van Oldenbarnevelt, het conflict met Maurits en zelfs de Republiek en de Nederlanders als geheel.

De eerste bron is een Pools werk gedrukt in 1636 te Krakau, geschreven door de katholieke priester en historicus Szymon Starowolski (1588-ca. 1656). In zijn Stacye żołnierskie (Soldatengarnizoenen) gebruikt Starowolski het conflict tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt om een punt te maken: soldatengarnizoenen in Poolse dorpen en steden vindt hij geen goed idee. In 1617 had Van Oldenbarnevelt de Staten van Holland de zogenaamde Scherpe Resolutie laten aannemen, waardoor Hollandse steden soldaten konden inhuren ter verdediging van de remonstranten. Deze stedelijke milities waren uiteindelijk de druppel voor Maurits, die zijn leger inzette en een staatsgreep pleegde.

Toch lijkt dit niet de reden waarom Starowolski ageerde tegen Poolse soldatengarnizoenen. Hij was niet zozeer bang voor de machtsspelletjes van Poolse bevelhebbers, als wel voor het gedrag van de Poolse soldaten. Het conflict tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt gold in dit geval als positief voorbeeld, dat volgens Starowolski liet zien hoe voorbeeldig de Nederlandse soldaten omgingen met de bevolking, iets wat hij in Polen niet zo snel zag gebeuren. Het beeld dat hij al dan niet terecht schetst, sluit aan bij het internationale imago van de Nederlandse troepen als zeer gedisciplineerd en goed getraind: “Hetgeen we zelf hebben gezien toen we in Holland waren, toen Maurits, de Prins van Oranje en de Opperbevelhebber van de Staten, Pharnaphela, de raadpensionaris van de Staten, moest oppakken vanwege een zeker verraad dat hij hem had aangedaan”.

Omdat er niets bekend is over een bezoek door Starowolski aan de Republiek in de jaren 1618-1619, moest ik in eerste instantie even nadenken wie of wat hij bedoelde: “Pharnaphela”? Al snel drong het echter tot me door dat de naam een zwaar verbasterde vorm moet zijn van Van Oldenbarnevelt, waarbij alleen de laatste drie lettergrepen enigszins intact zijn gebleven. Misschien kon Starowolski zich de naam niet meer precies herinneren, of was dit de wijze waarop Van Oldenbarnevelts naam rond 1619 – via een lange weg van mondelinge en/of schriftelijke communicatie – in de Poolse nieuwsmedia terecht was gekomen en werd gecirculeerd. Hoe dan ook is het interessant om te zien dat in 1636, 17 jaar na dato, het conflict tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt kon worden aangevoerd als argument in een Poolse, binnenlandse discussie, waarbij Starowolski de zaak niet voorstelt als een chaotische crisissituatie, maar als een goed georganiseerde, haast vredige en in feite gerechtvaardigde machtsovername.

De tweede tekst laat een heel andere kijk op de zaak zien. Het is een Latijnse brief van de Poolse filosoof, theoloog en schrijver Andrzej Wiszowaty (1608-1678). Wiszowaty was een aanhanger van het socinianisme en een van de leiders van de zogenaamde Poolse Broeders, een afsplitsing van de Poolse calvinisten. In de jaren 1660 verhuisde Wiszowaty naar Amsterdam. Hoewel de socinianen daar meer vrijheid kenden dan in het Pools-Litouwse Gemenebest, waren hun afwijkende ideeën ook in de Republiek niet bepaald welkom. Alleen bij de remonstranten konden ze op meer sympathie rekenen.

Claes Jansz. Visscher, De terechtstelling van Oldenbarnevelt (1619)

In een brief uit 1673, gericht aan een zekere Laurens Tromp, steekt Wiszowaty van wal over de slechte eigenschappen van de Nederlanders: ze hebben alleen oog voor geld en zijn alles behalve vroom. Daar komt nog eens bij dat ze een lange geschiedenis kennen van het ten onrechte veroordelen van goede burgers. Van Oldenbarnevelt is hiervan het eerste voorbeeld. Wiszowaty noemt hem “Barnefeldius, een tweede Palamedes”, waarmee hij blijk geeft kennis te hebben gehad van het beroemde stuk van Vondel (merk bovendien op dat ook Wiszowaty alleen de laatste drie lettergrepen van Van Oldenbarnevelts achternaam gebruikt). Vervolgens noemt hij Hugo Grotius, “die niet alleen in naam, maar ook door zijn daden en zijn faam groot was”. Het is uiteraard geen toeval dat Wiszowaty de vervolging noemt van twee aanhangers van de remonstranten. Tot slot haalt hij echter ook nog het tragische lot aan van de gebroeders De Witt, die het jaar daarvoor op brute wijze door een losgeslagen meute waren vermoord.

Zodoende zien we twee diametraal tegengestelde Poolse voorstellingen van Van Oldenbarnevelt en het conflict met Maurits: waar Starowolski de zaak bespreekt als een prettige herinnering en een leerzame ervaring, en hij Van Oldenbarnevelt voorstelt als “verrader”, keurt Wiszowaty de executie resoluut af. De twee bronnen geven dan ook twee totaal verschillende beelden van de Nederlanders en hun land als geheel: Starowolski gebruikt het conflict als voorbeeld van de Nederlandse discipline en ordelijkheid, terwijl Wiszowaty het lot van Van Oldenbarnevelt in een bredere context plaatst van Nederlandse onrechtvaardigheid.

Nijmegen bezoekt Wrocław

Op 4 en 5 april bracht een forse afvaardiging van de Afdeling Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit een bezoek aan onze collega’s aan de Uniwersytet Wrocławski in Polen. De studie Nederlands trekt daar jaarlijks vele tientallen studenten: in totaal zijn het er zelfs 300!

V.l.n.r.: Stefan Kiedroń, Aukje van Hout, Adriaan Duiveman, Paul Hulsenboom, Tommie van Wanrooij, Marieke van Egeraat, Fons Meijer, Ivo Nieuwenhuis, Lotte Jensen, Hanneke van Asperen

Op de eerste dag gaf prof. dr. Lotte Jensen de studenten een lezing over de Nederlandse identiteit. Daarna volgde een expert meeting tussen de Nijmegenaren en onze Poolse collega’s: om de beurt vertelden we elkaar over lopend of afgerond onderzoek. Zelf vertelde ik over mijn onderzoek naar de zeventiende-eeuwse Nederlandse beeldvorming over Polen als de graanschuur van de Republiek. De volgende dag begon met een bezoek aan de Bijzondere Collecties van de universiteitsbibliotheek, waar dr. Joanna Skubisz ons meerdere oude Nederlandse drukken liet zien. We vervolgden de dag in de plaatselijke afdeling van het Muzeum Narodowe (Nationaal Museum), alwaar dr. Małgorzata Dowlaszewicz onze gids was. Tot slot kregen we een prachtige rondleiding door de historische stad, verzorgd door prof. dr. Stefan Kiedroń. Het bezoek was bovendien op touw gezet door dr. Jan Urbaniak.

Een blog door prof. dr. Lotte Jensen over dit bijzonder prettige en succesvolle bezoek is hier te vinden.

The Corn Shed of the World: Paper at the RSA

Poland-Lithuania represented by i.a. bags of grain and a woman with a cornucopia, on a Dutch frontispiece from 1734.

On the 18th of March, I presented a paper at the 65th Annual Meeting of the Renaissance Society of America, which took place in Toronto, Canada, from the 17th to the 19th of March. My paper was entitled ‘The Corn Shed of the World: The Evolution of a Seventeenth-Century Dutch Image of Poland-Lithuania’.  As stated in my abstract:

The Dutch Republic owed much of its wealth to the trade in Baltic grain, most of which came from the Polish-Lithuanian Commonwealth. The importance of this trade is clear from both economic and political developments. There is however also plenty of textual and visual evidence, which has not yet been taken into account. Using a variety of seventeenth-century sources, such as pamphlets, letters, travel accounts, poems and engravings, I will show how widespread the Dutch understanding of Poland-Lithuania’s pivotal role was, and how a Dutch image of Poland-Lithuania as a granary and fertile land of plenty developed over time. It will become clear that the Polish-Swedish wars of the 1620s and 1650s, as well as Dutch migration to Prussia, were crucial in this process. In addition, Joost van den Vondel and the Amsterdam agenda played a vital part in presenting Poland-Lithuania as “the corn shed of the world.”

Waarom Pools leren in Nederland een goed idee is!


In de korte film ‘Waarom Poolse leren in Nederland een goed idee is!’ geven verschillende Nederlanders vijf redenen om Pools te leren. Zo komt de opkomende Poolse economie aan de orde, maar ook de mogelijkheden die Polen te bieden heeft als vakantieland, of de schoonheid van de Poolse literatuur. Vanuit mijn achtergrond vertel ik kort iets over de eeuwenoude banden tussen Nederland en Polen.

De film is gemaakt door de Stichting Pools Centrum voor Onderwijs en Cultuur ‘Lokomotywa’ te Amsterdam en is hier te bekijken.

Foreign Eyes on the Republic: A conference in Nijmegen

On the 21st and 22nd of February 2019, researchers from both the Netherlands and abroad took part in a conference entitled ‘Foreign Eyes on the Republic: European Perspectives on the Republic and the Dutch in the Long Eighteenth Century’, organised by Alan Moss and myself at Radboud University in Nijmegen. The conference was funded by the Dutch-Belgian Society of Eighteenth-Century Studies and aimed to consider various perspectives of foreigners on the Dutch Republic during the long eighteenth century.

In my own paper, I made a comparison between the topics discussed in seventeenth- and eighteenth-century Polish travel accounts of the Dutch Republic. A full description of all papers can be found on the conference’s website.

Brexit, the Polish Sejm and the dangers of perceived chaos

A meeting of the Polish Sejm during the reign of August II

The current Dutch reactions to the developments surrounding brexit resemble eighteenth-century responses to the Polish-Lithuanian Commonwealth. Much like brexit, the Polish-Lithuanian state became associated with political chaos. Reactions ranged from disbelief and pity to outright mockery. In addition, Poland-Lithuania became viewed as being ‘ill’. By the end of the eighteenth century, a disorderly situation could be called ‘een Poolse landdag’, i.e. a meeting of the Polish Sejm. These negative perceptions partly legitimised the eventual partitions of the country, which vanished from the map of Europe in 1795.

For Over de Muur, I wrote a more in-depth analysis of the similarities between the responses to brexit and to eighteenth-century Poland-Lithuania.

Lezing: Een Poolse Prins bij Breda


Op 22 januari gaf ik een lezing in het Design Museum te ‘s Hertogenbosch. Ik verzorgde de openingslezing in een reeks erfgoedcolleges, georganiseerd door de Erfgoed Brabant Academie. Ondanks de sneeuw was er een goede opkomst. Mijn lezing ging over het bezoek van de Poolse kroonprins Ladislas Sigismund Vasa aan het Beleg van Breda in 1624, alsmede over het literaire voortleven van die gebeurtenis in met name de Poolse literatuur. Ik schreef er al eerder een korte blog over, naar aanleiding van een artikel dat ik aan het onderwerp gewijd heb.

Dutch views of the Polish-Lithuanian state system

At Queens’ College, Cambridge, together with Lotte Jensen and Fons Meijer

This week, I presented a paper at the Monarchy and Modernity since 1500 conference, organised by the University of Cambridge on January 8 and 9. My paper was entitled A(n Im)perfect System. Dutch views of the Polish-Lithuanian Political System in the Seventeenth and Eighteenth Centuries. I discussed why the state system of the Polish-Lithuanian Commonwealth – even though it was similar to popular rebulican theories formulated in the Northern Netherlands around the year 1600 – was apparently never considered a serious option by Dutch political thinkers. I argued that this was due to the negative opinion the Dutch had of Polish-Lithuanian nobles, who were said to enjoy too much freedom and mistreat their farmers. In the eighteenth century, the ‘chaotic’ Polish Sejm meetings gave rise to the idea that Poland-Lithuana was an anarchic state, rather than a model of freedom. Since then, a disorderly situation is often called ‘een Poolse landdag’.

Two colleagues from Radboud University Nijmegen also presented a paper. Prof. dr. Lotte Jensen and Fons Meijer MA analysed the responses of four Dutch kings to major natural disasters during the nineteenth century. See Dealing with Disasters for more information.

Kerstmis 1645: De Poolse Koningin bezoekt de Republiek

De feestdagen waren in december 1645 nog nét iets bijzonderder dan andere jaren. De nieuwe koningin van Polen, Marie-Louise de Gonzague, bracht toen namelijk een bezoek aan de Nederlandse Republiek. In november was ze in Parijs getrouwd met de handschoen (d.w.z. bij verstek van haar bruidegom), met de Poolse koning Władysław IV Waza. Nu reisde ze met haar gevolg vanuit Frankrijk naar Warschau, waar in maart 1646 het echte huwelijk zou plaatsvinden.


Joost van den Vondel schreef speciaal voor die gelegenheid een aantal gedichten. Het belangrijkste (en langste) stuk is getiteld Geluck aen Louyze Marie, Koningin van Polen en Sweden, Hertogin van Mantua en Nevers. Daarnaast zijn er enkele kortere composities: By-schriften op d’Afbeeldinge van de Koninklijcke Bruit van Polen, Op Uladislaus, Koning van Polen en Sweden en Aen de Heeren Gezanten van Polen.

In de gedichten steekt Vondel de loftrompet op de nieuwe Poolse koningin, haar echtgenoot, de Poolse gezanten die haar kwamen ophalen en Polen als geheel. Twee thema’s spelen met name een belangrijke rol: Polen als beschermer van het christelijk Europa en Polen als graanschuur van de Nederlandse Republiek. Zo schrijft Vondel in Geluck aen Louyze Marie bijvoorbeeld:

                                Uw Bloem [de lelie] in onse Koren-schoof
                                Verçiert het Katholijck Geloof,
                Verbint Françoisen en Sarmaten [de Polen];
                De zuilen van de Kriste Staten.

We kunnen ons afvragen wat Vondel hier precies mee hoopte te bereiken. Noch Marie-Louise, noch Władysław IV, noch de Poolse gezanten konden immers Nederlands lezen. Het is wel geopperd dat Vondel de stukken schreef in Parijs, waar hij het huwelijk met de handschoen aanschouwd kon hebben. Misschien heeft hij zijn gedichten destijds aan de koningin en de gezanten gegeven, in de hoop dat iemand ze voor hen zou kunnen vertalen. Op die manier zou Vondel in de gunst kunnen komen bij de nieuwe Poolse koningin en haar gemaal.  

Na bezoekjes aan Brussel en Antwerpen, reed Marie-Louise via onder andere Tilburg (mijn geboortestad!) richting Holland. Het was een bijzonder strenge winter. De Pool Stanisław Oświęcim, een lid van het Poolse gezantschap, die echter wegens ziekte wat later uit Antwerpen was vertrokken, had een ellendige kerstnacht. Maar de volgende ochtend maakte hij iets heel bijzonders mee:

Nadat we daar [in Schiedam] de nacht op een lege maag hadden doorgebracht (we konden nergens eten krijgen), zagen we in de ochtend dat alle rivieren en grachten door één nachtvorst opeens zo bevroren waren, dat we er met de slee overheen konden rijden alsof het aarde was (sleeën worden hier trouwens niet door paarden voortgetrokken, maar worden voortgeduwd door boeren, die met schaatsen onder hun voeten gebonden [over het ijs] glijden en erg snel rennen). Nadat we in Delft gegeten hadden, reden we voor de overnachting door naar Den Haag.

Aert van der Neer, Riviergezicht bij winter (1630-1660)

De koningin had een andere route genomen. Op eerste kerstdag arriveerde ze in Utrecht, waar ze volgens de Franse schrijver Jean le Laboureur werd begroet door een enorme menigte burgers, die ook nu weer op schaatsen over de grachten gleden. Dezelfde auteur vertelt hoe Marie-Louise op tweede kerstdag een bezoek bracht aan “de tiende Muze, een van de wonderen van haar eeuw en van haar sekse”: de beroemde taalkundige, theologe, kunstenares en dichteres Anna Maria van Schurman. Marie-Louise bewonderde Van Schurmans zelfgemaakte kunstwerken (onder andere schilderijen) en was vol ontzag voor haar talenkennis (Le Laboureur noemt het Italiaans, Frans, Latijn, Grieks, Spaans, Duits, Nederlands, Hebreeuws, Syrisch en Chaldeeuws).

De volgende dag trok de koningin naar Amsterdam. Omdat ze echter zonder al te veel poespas onthaald wilde worden, had ze de stad daar niet van op de hoogte gesteld. Prins Willem van Oranje, de zoon van stadhouder Frederik Hendrik, had haar al gemist in Utrecht, nu miste hij haar ook in Amsterdam. Kennelijk had de stad echter toch gehoord over het aanstaande hoge bezoek, want bij haar aankomst werd Marie-Louise begroet door een eregarde van ongeveer duizend soldaten en een salvo kanonschoten.

Op 28 december kwam het dan eindelijk tot een ontmoeting tussen Marie-Louise en Prins Willem. Om haar wat vermaak te bieden, nam Willem zijn gast twee dagen later mee naar de Amsterdamse Schouwburg. De koningin zou getrakteerd worden op optredens van Aran en Titus, het populaire treurspel van Jan Vos, en de klucht Lichte Klaartje van Jillis Noozeman. Helaas voor Willem pakte de avond anders uit dan verwacht. Volgens Le Laboureur wilde Marie-Louise de Schouwburg zelf wel zien, maar trok ze zich voor het begin van de voorstelling terug, omdat ze het Nederlands niet machtig was.

Oud en Nieuw bracht Marie-Louise weer door in Utrecht. Prins Willem vroeg haar nog wat langer te blijven, zodat hij voor haar een bal zou kunnen organiseren, maar daar kon de koningin geen tijd voor vrijmaken. Op 1 januari 1646 vertrok ze richting Gelre. Toch zal Marie-Louise de eerste kerst en Oud en Nieuw die ze als koningin van Polen doorbracht in de Nederlandse Republiek niet snel zijn vergeten.