Onderzoek naar Gdańsk en het Rampjaar in Centraal Eindexamen

Nooit gedacht dat mijn onderzoek het centraal eindexamen zou halen, maar dat was buiten het vwo-examen geschiedenis gerekend dat afgelopen maandag plaatsvond: in vraag 1 is sprake van “gedichten en pamfletten (…) die tegen Johan de Witt waren gericht” en tijdens het Rampjaar werden verspreid in Gdańsk (al staat er “Danzig”, waarover straks meer). Toen medeletterkundige en -historicus Alan Moss me het examen toestuurde, dacht ik aanvankelijk dat hij met AI in de weer was geweest om me beet te nemen, maar ik bleek te achterdochtig: mijn onderzoek zit echt in het vwo-eindexamen geschiedenis van 2026, en dat vind ik best een eer.

De eerste vraag van het vwo-eindexamen geschiedenis 2026 (kader is van mijn hand).

De afgelopen jaren heb ik in bibliotheken en archieven in Gdańsk en andere Poolse steden tientallen gedichten en pamfletten gevonden over het Rampjaar, die tot nog toe onbekend waren. Dat daar ook pro-De Witt teksten tussen zitten die niet in de examenvraag genoemd worden (en die bovendien deels werden geschreven door auteurs uit Gdańsk zelf), mag mijn pret niet drukken: ik vind het prachtig dat duizenden leerlingen kennis hebben genomen van mijn onderzoek omdat het Cito dat heeft verwerkt in een eindexamen.

Überhaupt vind ik het trouwens mooi dat Gdańsk en Polen zo prominent in het eindexamen zijn beland en daar in verband worden gebracht met bredere Europese ontwikkelingen (en dan niet eens in de context van de Tweede Wereldoorlog of Koude Oorlog). Meer aandacht voor Polen en de rest van Centraal- of Oost-Europa (kies zelf maar) is meer beter, wat mij betreft.

Tegelijk wringt de schoen op een paar plekken. Ik voel me daarom geroepen om wat kritische kanttekeningen te plaatsen (evenals de punten in de examenvraag staan ze in willekeurige volgorde):

1) De formulering “de geschiedenis van de stad Danzig, het huidige Gdańsk in Polen” is niet meer van deze tijd. Hij suggereert namelijk dat “Danzig” de eigenlijke, historisch gezien correcte naam is van de stad, NIET “Gdańsk”, dat in deze formulering slechts een moderne Poolse variant lijkt. De volgende denkstap, die ik mensen geregeld zie maken, is dat de stad van oudsher niet Pools, maar Duits zou zijn. Dat klopt simpelweg niet. Gdańsk maakte tussen 1466 en 1793 deel uit van het Koninkrijk Polen en kende vele namen: Polen noemden de stad Gdańsk, anderen spraken van Dantzick, Danswijk, Gedanum, Dantiscum en nog wat varianten (ik ben er al ik weet niet hoeveel tegengekomen). De oudst bekende vorm (uit de 10e eeuw) is overigens Gydannyzc, wat qua uitspraak lijkt op Gdańsk, maar dat doet er niet eens toe, evenmin als het feit dat de stad in de vroegmoderne periode veel inwoners had uit Duitstalige gebieden (naast mensen uit de rest van Polen, Scandinavië, Schotland, de Lage Landen en andere plekken): mijn punt is dat de formulering in het examen onterecht de historische band tussen Gdańsk en Polen ondergraaft en onbedoeld een narratief bestendigt dat wortelt in 19e– en 20e-eeuws Duits nationalisme / nationaalsocialisme, dat helaas nog altijd doorsijpelt in hedendaagse geschiedschrijving. Ik zie het vaak zat in zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke publicaties, op papier en online. We moeten ervoor waken. Een simpel alternatief zou in dit geval bijvoorbeeld zijn: “de Baltische havenstad Gdańsk, in Polen”, eventueel met de toevoeging “die vroeger ook wel bekendstond als Danzig.”

Het inmiddels verweerde bord van het ‘Gyddanyzcplein’ in Gdańsk, door mij gefotografeerd in maart 2026.

2) De stelling in punt 5, dat Gdańsk “de kant van de Zweedse koning (moest) kiezen” tijdens de Dertigjarige Oorlog, verbaast me. Misschien doelen de makers van het examen erop dat Zweden in 1626 Polen was binnengevallen en vervolgens tussen 1629 en 1635, als gevolg van een wapenstilstand, tol kon heffen in Gdańsk. Dat duurde echter slechts zes jaar en in die tijd koos de stad niet voor “de kant van de Zweedse koning”, maar bleef juist loyaal aan Polen. Als de auteurs daarnaar wilden verwijzen, had ik dus een andere formulering gekozen dan die nu is gebruikt, zoals: “Tijdens de Dertigjarige Oorlog probeerden Zweedse legers tevergeefs om Gdańsk in te nemen, maar ze slaagden er wel in om daar tijdelijk tol te heffen.”

3) Komend najaar verschijnt er als het goed is een wetenschappelijk artikel van mijn hand over de gedichten en pamfletten in Gdańsk, maar op dit moment is mijn onderzoek hiernaar bij mijn weten alleen publiek toegankelijk in een blogpost die ik een aantal jaren geleden schreef n.a.v. een lezing. Ik ga er daarom vanuit dat het Cito zich op die post heeft gebaseerd. Enerzijds ben ik zoals gezegd blij dat de makers van het examen mijn onderzoek als betrouwbaar hebben bestempeld, anderzijds heb ik mijn twijfels bij het gebruik van blogposts als inhoudelijke basis voor eindexamenvragen (blogs als bronnen waarover leerlingen vragen moeten beantwoorden zijn natuurlijk iets heel anders). Uiteraard vind ik mezelf buitengewoon geloofwaardig, maar toch.

Dat gezegd hebbende: ik blijf het machtig mooi vinden dat ik een bescheiden bijdrage heb kunnen leveren aan het eindexamen en ik daarmee duizenden leerlingen heb bereikt. Een uitstekende vorm van valorisatie/impact!

Presentatie ‘Krijgstoneel van Europa’ in Breda

Een symposium, muziek, een mini-expo én een nieuw boek: Krijgstoneel van Europa is feestelijk gepresenteerd!

Op dinsdag 1 juli was het moment daar: ik overhandigde het eerste exemplaar van Krijgstoneel van Europa. Tijdgenoten over het Beleg van Breda 1624-1625 aan de burgemeester van Breda, Paul Depla. Het was de culminatie van een project waar ik met veel plezier aan heb gewerkt en waar ik met evenveel voldoening op terugkijk.

In een volle zaal in het Stedelijk Museum Breda stonden we stil bij 400 jaar Beleg van Breda.

Lars Tupker, Jan van Oudheusden en Marjolein ’t Hart gaven boeiende lezingen over het beleg en de Tachtigjarige Oorlog, het ensemble ‘Twee violen en een bas’ (en een extra harp!) speelde prachtige 17-eeuwse muziek en ik vertelde over de totstandkoming van mijn boek, de keuzes die ik moest maken en de uitdagingen waar ik mee te maken kreeg tijdens het schrijfproces. Na de plechtige overhandiging van het eerste exemplaar sloten we de bijeenkomst goedgeluimd af door met de hele zaal een geuzenlied te zingen over het Beleg van Breda, dat de spot drijft met de Habsburgse vijand. Met pakweg 100 stemmen lukte het aardig om de sfeer van 400 jaar geleden te doen herleven!


Tijdens de borrel na afloop kon het publiek een kijkje nemen bij de mini-expo over het Beleg van Breda en nogmaals genieten van ‘Twee violen en een bas’ (en harp dus), dat zorgde voor schitterende achtergrondmuziek. Ondertussen deed ik een interessante nieuwe ervaring op: boeken signeren.

Veel dank aan de sprekers, de muzikanten, dagvoorzitters Wouter Loeff en Monique Rakhorst, en de overige organisatie van het Stedelijk Museum Breda, Erfgoed Brabant en de Zuiderwaterlinie, met wie ik deze dag heb gerealiseerd. Ik ben trots op onze samenwerking! Dank bovendien aan allen die deze dag met hun aanwezigheid en stemgeluid hebben vereerd 😉

Krijgstoneel van Europa. Tijdgenoten over het Beleg van Breda 1624-1625, vormgegeven door YURR Studio en uitgegeven door WBOOKS, is dankzij subsidie van De Mastboom-Brosens Stichting te koop voor slechts €24,95. Volg deze link om meer over het boek te lezen en het aan te schaffen.

NIEUW BOEK: ‘Krijgstoneel van Europa’

“Een boek dat laat zien hoe belangrijk het is om de geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog vanuit verschillende perspectieven te beschrijven. Dat maakt het tot een geslaagde ‘inclusieve geschiedenis’!”

Prof. dr. Marjolein ‘t Hart


Ruim een jaar geleden kreeg ik een idee: een boek voor een breed publiek, ter gelegenheid van het 400-jarig jubileum van het Beleg van Breda van 1624-1625. Na een uitputtingsslag van 9 maanden kwam de stad toen weer in handen van de Spaanse Habsburgers. Dit sleutelmoment uit de Tachtigjarige Oorlog wilde ik uitdiepen aan de hand van originele teksten uit diverse streken en landen, die verschillende vensters openen op de strijd. Een meerstemmig verhaal dus, met aandacht voor zowel de lokale als de internationale weerslag van het beleg.

Het resultaat is Krijgstoneel van Europa. Tijdgenoten over het Beleg van Breda 1624-1625. Daarin breng ik 15 teksten samen: van brieven tot gedichten en van een medische verhandeling tot een toneelstuk. Ik ver- en hertaalde ze uit het Duits, Engels, Frans, Italiaans, Latijn, Nederlands, Pools en Spaans. Vooral het vertalen van de dichterlijke teksten, met behoud van metrum en rijm, was erg uitdagend en leuk om te doen!


Samen belichten de bronnen belangrijke facetten van het beleg, zoals het leven in de stad, pogingen tot ontzet, nieuwsverspreiding over de strijd, de rol van eer en wederzijdse spot, en de gevolgen voor het Brabantse platteland. Deze en andere onderwerpen behandel ik dan ook in de 15 hoofdstukken die ik schreef ter begeleiding van de bronteksten. In de epiloog bespreek ik bovendien hoe Nederlandse schrijvers bij de herovering van Breda in 1637 teruggrepen op het beleg daarvóór. Verrijkt met tientallen kleurenillustraties biedt het boek een gevarieerd beeld van het Beleg van Breda, de Tachtigjarige Oorlog en het Europa van de 17e eeuw.


Krijgstoneel van Europa
is vanaf 1 juli verkrijgbaar. Op deze pagina kun je een inkijkexemplaar bewonderen en het boek aanschaffen. Dankzij subsidie van De Mastboom-Brosens Stichting kost het boek (184 pagina’s, hardcover) slechts €24,95.

Samen met het Stedelijk Museum Breda organiseerde ik de tijdelijke, bijpassende tentoonstelling 400 Jaar Overgave van Breda. Op Brabants Erfgoed staat bovendien een voorpublicatie: het verslag van de Litouwse koninklijk secretaris Stefan Pac, die de Poolse kroonprins Władysław Waza vergezelde tijdens diens bezoek aan het beleg.

Het boek is mede mogelijk gemaakt door verschillende individuen en instanties. Daarbij doel ik met name op een drietal partners dat enthousiast was over mijn idee en de uitvoering mogelijk maakte: Stedelijk Museum Breda regelde financiële ondersteuning, WBOOKS tekende voor de uitgave en YURR studio verzorgde de vormgeving. Ik dank hen allen hartelijk voor de prettige samenwerking.

Boekenserie ‘Nederlands in het klein’ presenteert ‘Dijt onze woordenschat alsmaar uit?’

Hoe komen woorden in een woordenboek (of niet)? Hoeveel woorden passen er in ons hoofd? En wat is een “woord” eigenlijk?

Antwoorden op deze en andere prikkelende vragen zijn te vinden in het nieuwe boek van Nicoline van der Sijs, Dijt onze woordenschat alsmaar uit? Over opbouw en geschiedenis van de Nederlandse woordenschat, dat tegelijk het eerste deeltje is in de nieuwe Open Access reeks ‘Nederlands in het klein’. De reeks is een initiatief van de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur van Radboud University, en wordt uitgegeven door Radboud University Press.

Op 23 juni presenteerden we Nicolines boek op feestelijke wijze bij Boekhandel Roelants in Nijmegen. Stadstaalkundige en polyglot Luis Miguel Rojas-Berscia nam ons mee in de talige sporen van het Nederlandse koloniale verleden, cabaretier Katinka Polderman vermaakte ons met een gang langs haar talige beslisbomen en docent en onderzoeker Saranne Schümers besprak de potentie van Nicolines boek voor gebruik op school. Tot slot overhandigde Nicoline het symbolische eerste exemplaar aan Saranne.

Met Dijt onze woordenschat alsmaar uit? heeft de reeks ‘Nederlands in het klein’ een vliegende start. Het idee van de reeks is als volgt: in elk deel zal een expert uit de taalkunde, letterkunde of taalbeheersing op toegankelijke manier nieuw onderzoek uit de neerlandistiek ontsluiten. De boekjes zijn geen overzichtswerken, maar duiken de diepte in en belichten een pakkend onderwerp vanuit verschillende hoeken, om daarmee de rijkdom van het vakgebied te tonen. Bovendien werken we samen met WODN – Werkgroep Onderzoek en Didactiek Nederlands die bijpassend lesmateriaal maakt dat gratis online toegankelijk is. Zo komt het onderzoek ook de klas in!

“We”, dat zijn de oprichters en redactieleden van ‘Nederlands in het klein’: Marc van Oostendorp, Linda Ackermans, Steven Delarue, Anne-Sophie Ghyselen, Aukje van Hout, Wyke Stommel en ikzelf als hoofdredacteur. Bovendien was Marten van der Meulen nauw bij de oprichting betrokken.

Dijt onze woordenschat alsmaar uit? is hier gratis te downloaden (en kan ook via Print on demand worden aangekocht). Voor het bijbehorende lesmateriaal, zie deze pagina.

Wil je zelf een kort, toegankelijk boekje schrijven over een aspect van de Nederlandse taalkunde, letterkunde of taalbeheersing? Stuur me dan een berichtje!

Nieuwe publicatie in ‘De Tachtigjarige Oorlog in Europese Ogen’

Op 12 juni vierden we bij Uitgeverij Boom in Amsterdam de publicatie van De Tachtigjarige Oorlog in Europese Ogen: De internationale geschiedenis van een nationaal verhaal, een rijke en vernieuwende bundel die beschrijft hoe de strijd beleefd werd buiten de Lage Landen, van Portugal tot Bohemen en van Schotland tot het Osmaanse Rijk. Centraal staan drie B’s: berichtgeving, beeldvorming en directe betrokkenheid. Zoals de aankondiging stelt: “Het is de Nederlandse geschiedenis binnenstebuiten gekeerd.”

Heel veel dank en felicitaties aan Raymond Fagel en Yolanda Rodríguez Pérez, de geweldige redacteurs, die het eerste exemplaar presenteerden aan niemand minder dan Anton van der Lem.

Het was bovendien een groot genoegen om iets te mogen vertellen over mijn bijdrage, die gaat over de Poolse betrokkenheid op schrift en in de strijd. Van nieuwsmedia die de Nederlanders roemen tot gedichten die hen zwartmaken, en van protestanten én katholieken die Maurits van Oranje ophemelen tot een officier die carrière maakt bij de WIC.

Nieuwsgierig? Een deel van mijn hoofdstuk is gepubliceerd op Historiek.

Het boek is te bestellen via de uitgever.

MdNL-Fellowship

I am happy to announce that I have been awarded a fellowship by the Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Society of Dutch Literature). The fellowship will allow me to conduct research into the production and circulation of Dutch poetry in seventeenth-century Polish Prussia, preserved in printed texts and manuscripts. My project will shed new light on the transnational significance of early modern Dutch literature, as well as on the use of the Dutch language in Gdańsk and other cities in the region, which was characterised by close commercial and cultural contacts with the United Provinces. Until now, however, the impact of Dutch poetry on Polish Prussia has not been examined.

For the announcement, see this webpage.

Jan III Sobieski in the Netherlands: From De Hooghe to Wilders


This week, I had the honour of speaking in the grand White Hall of Wilanów Palace, Warsaw. The occasion: a three-day conference on practices of remembrance surrounding Jan III Sobieski and his family, from the seventeenth century until today. The programme included compelling presentations (in Polish and English) on various topics, from the transnational reception of Sobieski and his family as evidenced by archival material, art objects, and architecture across Europe and America, to the ongoing remembrance of the former king in Poland itself. The conference was excellently organised by the museum at Wilanów Palace, offering live translations into Polish or English to those that needed it, and serving its guests an array of delicious seventeenth-century dishes, including vegetarian options. Sobieski, the founder of the palace, surely would have been pleased.

My own presentation, in Polish, concerned Dutch representations and appropriations of Jan III Sobieski throughout history. The king first gained fame in the Dutch Republic after his victory against Ottoman forces at Khotyn in 1673. Working on the basis of instructions from the Polish royal court, the etcher Romeyn de Hooghe extolled Sobieski and his exploits in a range of engravings, of which an equestrian portrait would prove particularly influential, both in the United Provinces and abroad. Following the famous Battle of Vienna in 1683, furthermore, a multitude of Dutch cultural entrepreneurs glorified Sobieski as one of the principal architects of a grand Christian victory, producing prints and writing in various literary genres. Artists adopted and reinterpreted the imagery designed by De Hooghe, and several poets appropriated similar motifs.

Admittedly, other observers were less flattering: whereas some ascribed the victory at Vienna to other protagonists, paying special homage to Emperor Leopold I, others did not partake in the festive mood at all, possibly inspired by Calvinist inclinations. Nevertheless, Dutch sources about Sobieski generally voice a strong sense of admiration, which authors and artists kept developing in various genres. The king himself played an active role in this process of idolization by influencing the press, instructing De Hooghe, and using diplomatic agents to polish up his image abroad.

After the king’s death, the attention devoted to Sobieski and his military triumphs naturally lessened, yet the monarch remained entrenched in Dutch collective memory. In the 1830s, Sobieski’s letters to his wife were eagerly translated into Dutch and presented as windows into his pious and friendly nature, but also as sources showing Poland’s supposed anarchy. This framing was particularly relevant at a time when Polish resistance against Russian rule captivated Dutch audiences, who were simultaneously engaged with a Belgian uprising. Several decades later, in 1869, a host of Dutch students masqueraded through the city of Groningen, imitating Sobieski’s entrance into Vienna and celebrating him as a hero of Christendom. Evidently, the former king lived on in Dutch memory and was paraded to express local identities.

More recently, far-right Dutch politicians have used Sobieski as a figurehead of their own movement. This is a particularly popular practice amongst politicians from the PVV, the so-called Party for Freedom, which won the elections last November and is currently the largest party in the Dutch government. For party leader Geert Wilders and his colleagues, Sobieski has become a mascot in their campaigns against what they call “islamiphication”. Wilders even compared himself to Sobieski in a speech he gave in Vienna in 2015, arguing for the continuation of the king’s alleged fight against “Islam” in order to defend and preserve “freedom”. White supremacist terrorists like Anders Breivik have used the Polish monarch in a similar manner.

The fact that Europe in 1683 (much like today) did not risk being “islamiphied” and Sobieski was not interested in crusading against Islam – indeed, he spoke Turkish and valued Ottoman culture – matters little to Wilders and others like him. Their appropriation of Sobieski serves a purely political purpose: to instil fear and hatred of Muslims. Through their militant rhetoric, they contribute to the idea of an inherent division between a “free” Europe and the Islamic world. Geert Wilders and his colleagues selectively make use of the various elements of Sobieski’s historical image and bend them to their own ends: instead of praising the monarch for his military prowess, for instance, or honouring him as a Christian hero, they portray him as a champion of “freedom” and conqueror of “Islam” in the broadest sense of the word. As I have argued before, this appropriation is harmful to society and by no means justified by historical reality.

For a recording of my presentation, see the first video (dated 5 November) on this webpage (I start talking at ca. 1:15).

Prize for Young Book Collectors

Last Saturday at the Amsterdam Book Fair, I was honoured with the Dutch Prize for Young Book Collectors (up to 35, luckily for me!). I am grateful for the appreciation shown for my collection of Polonica, i.e. books, maps, and prints relating to Poland and Dutch-Polish relations. To receive the prize in the company of other book lovers and amongst a wealth of old books was a real treat.

With the jury: Alex Alsemgeest, Laurens Hesselink, and Marieke van Delft.

My collection includes publications in various languages from the sixteenth to the twentieth century, but the focus is on seventeenth-century books printed in the Netherlands, in Latin or Dutch. Over the past ten to twelve years, I have accumulated some fifty different titles. Examples are treatises on the history, topography, and manners of Poland, as well as collections of poetry with odes about Poland or Polish scholars. One of my most recent acquisitions is the Guldene Annotatien by Franciscus Heerman, printed in Leeuwarden in 1642: a work that contains the very first Polish text printed on Dutch territory. Lately, moreover, I have started buying books of Polish origin, particularly those that have a Dutch theme. Last year, for example, I purchased a very rare Latin poetry collection, printed in Gdańsk in 1656, containing several poems with Dutch topics, such as the Delft Thunderclap of 1654. Thus, even though my book collection has a strong focus, it is also diverse.

I like to enrich this book collection with prints and maps related to Poland, such as images of seventeenth-century battles on Polish territory or engravings of ‘typical’ Polish costumes. I particularly enjoy specimens that have a link to the Netherlands. Examples include a seventeenth-century frontispiece from a Dutch biography of King Jan III Sobieski and the front cover of an art deco advertising leaflet for a Polish ski resort from 1936, intended for the Dutch market.

The Prize for Young Book Collectors consisted of €1000, which I could spend at the Amsterdam Book Fair. I put the prize to good use, for example by buying an eighteenth-century Dutch edition of Pliny’s Naturalis Historia: a book I have wanted to acquire since I started collecting during my studies. In addition, the work ties in with my collection: the early modern editor added examples of fantastical creatures that supposedly lived in Poland.

For more information about the prize and an impression of the activities undertaken this year by several young book collectors, see this website.

Wiszowaty and Brandt: Dutch-Polish Friendship in the 17th Century (NL Embassy in PL)

On this day in 1678, the influential Polish theologian and philosopher Andrzej Wiszowaty died in Amsterdam. Wiszowaty was a prominent member of the Polish Brethren: a Protestant community that emerged in the 1560s as a result of a split within the Polish Reformed Church. The Brethren, also known as Arians, Socinians, and Anti-Trinitarians, refused Christian doctrines about Hell and the Trinity, advocated the separation of church and state, and preached equality between all people. Although they were initially tolerated in Poland, the Sejm had their academy in Raków destroyed in 1638, and they were officially banished from Poland in 1658.

Numerous Polish Brethren found refuge in Holland, where many of them had studied. They mainly came to Amsterdam, where they fostered close relations with other religious minorities. Andrzej Wiszowaty and his family were amongst these migrants, settling in Amsterdam in 1666. He is known in particular for his leading role in the printing of the Bibliotheca Fratrum Polonorum: a monumental series of works by Polish Brethren, published in Amsterdam between 1668 and 1692, which was to influence Voltaire and John Locke. Wiszowaty was also active as a poet, translator, and preacher. A commentary he wrote on a book about Hinduism, published in Leiden in 1651, proves that he knew Dutch.

The front page of the catechism of the Polish Brethren, edited by Wiszowaty and published in Amsterdam in 1680.

Upon Wiszowaty’s death, the Dutch poet Gerardt Brandt wrote an epitaph in his honour, which reads:

No gravestone, but the earth of a cemetery covers the body
Of Wiszowaty, who, although he was poor, was rich
In virtue and scholarship; and expelled by Papism,
He found his resting place at the river IJ, and eternal life with God.

The case of Wiszowaty is one of many examples of historical Dutch-Polish friendship, fuelled by migration, religion, and scholarship.

*I originally wrote this post for the social media outlets of the Dutch Embassy in Poland. This was post no. 58.

Chopin in Curaçao (NL Embassy in PL)

Between 2 and 4 August, the Dutch Chopin Festival will take place in Castle Oud Poelgeest, in Leiden. This year’s theme is “influenced by Chopin”. One of the legacies of Poland’s best-known composer is the popularisation of the mazurka. This type of music, characterised by its liveliness and a strong accent on the second beat, has its origins in three Polish folk dances: the mazur, the kujawiak, and the oberek. Prior to Chopin, a large number of mazurkas were written by the Polish composer Maria Szymanowska. Chopin’s mazurkas for piano subsequently propelled the genre’s popularity, which reached its height in Europe and the United States during the mid to late nineteenth century.

Jan Gerard Palm with his grandsons Rudolf, John, and Jacobo Palm.

In the Netherlands, examples of mazurkas feature in the songbook Jan Pierewiet: a collection of Dutch and Flemish folk songs meant for children, published between 1933 and 1972. Moreover, multiple mazurkas were written by composers from Curaçao, which is one of the islands comprising the Caribbean part of the Kingdom of the Netherlands. Among them was Jan Gerard Palm, who lived in the nineteenth century and is considered the first composer of classical music from Curaçao. He wrote several mazurkas, including one for the birthday of his son in law. Another well-known composer from Curaçao who wrote mazurkas was Wim Statius Muller, who was a student of Jacobo Palm, a grandson of Jan Gerard Palm. Muller even earned the nickname “Curaçao’s Chopin” because of his romantic style of piano composition!

For more information about the Chopin Festival, see this website.

*I originally wrote this post for the social media outlets of the Dutch Embassy in Poland. This was post no. 57.