Monthly Archives: April 2022

A Royal State Visit to Poland (NL Embassy in PL)

Last Wednesday was King’s Day in the Netherlands, which celebrates the birthday of His Majesty King Willem-Alexander. Interestingly, the king chose Poland as the destination for his first ever state visit, where he travelled together with his wife, Her Majesty Queen Máxima. The visit took place on 24 and 25 June 2014. The royal couple was kindly received at the presidential palace in Warsaw by president Bronisław Komorowski and his wife, Anna Komorowska. Amongst other things, the king and queen paid their respects at the Tomb of the Unknown Soldier, visited the Warsaw Rising Museum, and met with Polish veterans at the monument of the 1st Armoured Division of general Stanisław Maczek, which played a vital role in the liberation of the Netherlands during the Second World War. King Willem-Alexander personally thanked Marian Słowiński, at that time the oldest surviving liberator of Breda. On the second day of their visit, the king and queen travelled to Poznań, where they had meetings concerning transport, agriculture, and other industries.

In a speech held during a banquet in Warsaw, the king expressed his admiration for Poland’s historical struggle for freedom and independence, and called Poland an important partner in many respects. Together with president Komorowski, he toasted to the close cooperation between Poland and the Netherlands.

The photograph shows King Willem-Alexander, Queen Máxima, president Bronisław Komorowski, his wife Anna Komorowska, and Marian Słowiński at the meeting with Polish veterans (source: ANP).

*I originally wrote this post for the social media outlets of the Dutch Embassy in Poland. This was post no. 31.

KNHG lezing: Gedichten uit Gdańsk over het Rampjaar

Op 22 april vond het jaarlijkse KNHG Voorjaarscongres plaats in het BHIC (Brabants Historisch Informatie Centrum) te ‘s-Hertogenbosch. Het congres had als titel ‘Bloed, kruit en tranen: Betekenis en herdenking van het Rampjaar 1672’ en werd georganiseerd ter gelegenheid van 350 jaar Rampjaar. Historici, erfgoedprofessionals, museummedewerkers, onderwijzers en andere geïnteresseerden kwamen bijeen om te praten over verschillende aspecten van het jaar 1672. Ter sprake kwamen o.a. onderbelichte perspectieven uit binnen- en buitenland, de herinneringscultuur vandaag de dag, en zelfs de geur van het Rampjaar.

Ikzelf verzorgde een lezing in de sessie ‘Het Rampjaar in woord en beeld: Reacties en representaties uit de Republiek, Gdańsk en Aleppo’. Mijn presentatie droeg de titel ‘Baltische betrokkenheid tussen schrik en scherts: Gedichten uit Gdańsk over het Rampjaar’.

De gebeurtenissen van het Rampjaar trokken internationaal de aandacht. Zo ook in de Baltische havenstad Gdańsk (Danzig), waar ik gedurende mijn promotieonderzoek zeker 10-15 gedichten heb kunnen vinden die reageren op de rampspoed die de Republiek in 1672 ten deel viel. Uiteindelijk heb ik om meerdere redenen besloten om het bronmateriaal uit Gdańsk grotendeels uit mijn proefschrift te laten en te bewaren voor een toekomstig onderzoeksproject. Met mijn lezing liet ik zien wat de mogelijkheden zijn van een dergelijk onderzoek. Mijn doel was om te achterhalen wat de gedichten ons kunnen leren over de vraag hoe en waarom men in Gdańsk het Rampjaar beleefde. De meeste gedichten zijn geschreven in het Latijn en zijn te vinden in zogenaamde sylvae: grote poëzieverzamelingen met verzen over allerhande internationale onderwerpen. Ze laten grofweg drie perspectieven zien: pro-De Witt, anti-de Witt en meer algemeen pro-Republiek. Van al die perspectieven besprak ik één voorbeeld.

Johannes Petrus Titius op een gravure uit 1690.

Wellicht het meest bijzondere gedicht is een werk van de plaatselijke docent en geleerde Johannes Petrus Titius (1619-1689), die een gloedvol grafschrift schreef voor de gebroeders De Witt. Zijn gedicht is uitgesproken positief over de broers, spreekt vol walging over hun tragische dood en bevat een algemene les voor de lezers: pas op voor het wisselvallige lot! Een gedrukt pamflet met zijn Latijnse gedicht – inclusief Duitse vertaling en portretten van Johan en Cornelis de Witt – was reeds bekend, maar de auteur en plaats van uitgave nog niet. Aangezien ik in Gdańsk twee handschreven, gesigneerde kopieën van het gedicht heb kunnen vinden, is het aannemelijk dat Titius voor de compositie verantwoordelijk was en het pamflet in Gdańsk werd gepubliceerd. Kennelijk waren meerdere mensen ter plekke bereid om tijd en geld te investeren in de verspreiding van dit pro-De Witt geluid.

Van de meeste andere gedichten heb ik kunnen achterhalen dat ze kopieën zijn van elders gedrukte teksten, met name afkomstig uit de Republiek. Tussen Gdańsk en de Noordelijke Nederlanden bestond veel verkeer van mensen en goederen, dus is het niet verwonderlijk dat ook nieuws en literatuur van de Republiek naar de Baltische havenstad reisde. Tussen de anti-De Witt gedichten zit o.a. een lang, anoniem Nederlands grafschrift van Johan de Witt, dat oorspronkelijk gedrukt was in de Republiek. Het bevestigt het idee dat velen in Gdańsk het Nederlands machtig waren – al heeft de kopiist de tekst her en der ‘verduitst’, bijvoorbeeld door naamvallen aan te passen. Interessant is ook dat zowel pro- als anti-De Witt gedichten soms in één en hetzelfde manuscript te vinden zijn: dat men een gedicht kopieerde, betekent dus niet per definitie dat men het eens was met het sentiment dat het gedicht vertolkt. Helder is in ieder geval wel dat de retorische en ideologische strijd die in de Republiek woedde tussen de staats- en prinsgezinden ook actief werd gevoerd in Gdańsk.

Image
De bibliotheek van Gdańsk in Reinhold Curicke, ‘Der Stadt Danzig Historische Beschreibung’ (1687).

Ik eindigde door te speculeren over de mogelijke redenen die men in Gdańsk kon hebben om gedichten te schrijven en verspreiden over het Rampjaar. Ten eerste benoemde ik een spanningsveld tussen persoonlijke en ‘gemaakte’ motivatie: iemand kon oprechte betrokkenheid voelen bij de gebeurtenissen van 1672, maar kon ook betaald worden om gedichten (over) te schrijven, bijvoorbeeld door de autoriteiten van Gdańsk. Daarnaast is er een spanningsveld tussen plaatselijk en transnationaal belang: auteurs of kopiisten konden bijvoorbeeld schrijven om de publieke opinie te beïnvloeden in zowel binnen- als buitenland. Sommige gedichten bevatten immers boodschappen die ook lokaal belangwekkend zullen zijn geweest, omdat ze betrekking hebben op correct staatsbestuur of religieuze tolerantie. Tot slot was er wellicht sprake van literair gemotiveerde interesse: mensen genoten ervan om gedichten te schrijven en te lezen, en een goedgevulde sylva kon dienen als een dichterlijk archief van de actualiteit, waarin allerhande, ook tegenstrijdige geluiden konden worden samengebracht.

Mijn lezing wierp zodoende licht op zowel de inhoud als de wordingsgeschiedenis van de contemporaine, internationale verbeelding van het Rampjaar, dat klaarblijkelijk bijzonder de aandacht trok in Gdańsk. Ik hoop mijn onderzoek over de literaire banden tussen de Republiek en Gdańsk ooit verder te kunnen uitwerken: de archieven in Gdańsk liggen vol met tot dusverre onbekende gedichten en prozateksten, die een belangrijke literaire dimensie vormden van de culturele verwevenheid tussen de Baltische havenstad en de Noordelijke Nederlanden. Deze kant van de betrekkingen tussen vroegmodern Polen en Nederland verdient meer aandacht in de toekomst.

Ukraine in 17th-Century Dutch Poetry (NL Embassy in PL)

Dutch interest in Ukraine is not something new. As early as the seventeenth century, Dutch media reported on political developments in lands that were already known as Ukrainian territories. At that time, the lands which currently lie within Ukraine’s borders were a bone of contention for Poles, Russians, Cossacks, and Tatars. Dutch poets also wrote about these struggles, especially if they were important to the Dutch economy.

In 1649, for example, the renowned poet Joost van den Vondel commented on Tatar raids in Ukrainian territories, which “laid Poland in ashes” and “threatened us here with famine”: a clear reference to the grain trade between Poland and the Dutch Republic. Vondel obviously knew that large amounts of grain were produced in Ukraine, which at the time formed part of the Polish-Lithuanian Commonwealth. From the south, the grain was then transported to Gdańsk, where it was bought in bulks by Dutch merchants.

A few years later, in 1657, the anonymous author of a Dutch pamphlet reacted to the many wars which crippled the Polish-Lithuanian Commonwealth: it was fighting the Cossacks, Tatars, Russians, and Swedes all at once – and was facing heavy losses. According to the author, the proud Polish nobles themselves were to blame:

Ukraine is the beginning of the game,
The Polish nobility, proud and fierce
Is the cause of these disasters;
Who knows how the game will end,
Pride comes before a fall,
Everyone comes to fight here.

These verses obviously refer to the 1648 Cossack Uprising, led by Bohdan Khmelnytsky, who according to the poem aimed to lift “the proud Polish nobility from its saddle”. Later on, the focus shifts to the Swedish invasion of Poland, and the Dutch author argues in favor of sending aid to Gdańsk in order to protect the grain trade.

Image

One final example dates from 1671. The poet Joannes Antonides van der Goes once again linked the ongoing fighting in Ukrainian territories with threats to the Dutch grain trade. Poland could feed the whole world, he wrote, if the country were not involved in wars with the Tatars, Turks, and Cossacks, led this time by hetman Petro Doroszenko. Echoing the earlier poem, Van der Goes stated that the Cossacks threatened to “lift the Polish nobility from its saddle”.

These examples make clear that Dutch readers and writers had a keen interest in political developments in Ukraine, which was essential to the Dutch economy due to the grain it produced. To this day, Ukraine is one of the largest grain exporters in the world.

*I originally wrote this post for the social media outlets of the Dutch Embassy in Poland. This was post no. 30.

New publication: Memory culture on the Dutch and Polish Grand Tour

I am proud to have contributed – with my friend and colleague Alan Moss – to a fascinating Open Access book, published by Brill and edited by Koen Scholten, Dirk van Miert, and Karl Enenkel, entitled Memory and Identity in the Learned World. Community Formation in the Early Modern World of Learning and Science. Our chapter, ‘Tracing the Sites of Learned Men. Places and Objects of Knowledge on the Dutch and Polish Grand Tour’, concerns memory culture on seventeenth-century Dutch and Polish educational journeys across Europe.

Image

Specifically, we study how places of knowledge (i.a. universities and the homes, tombs, and monuments of scholars), or objects of knowledge (i.a. a scholar’s personal belongings), strengthened a visitor’s scholarly persona and connected him to a large, academic community. Applying a transnational approach, we use multiple handwritten travelogues and printed poems by both Dutch and Polish travellers, thus offering a fresh perspective on two widespread phenomena: the Grand Tour and the European learned world, the Republic of Letters. While most studies on the Grand Tour have a British focus, we present Polish and Dutch experiences. Also, we cast a wide net on the learned world, defined not only by correspondences, but by the shared appreciation and remembrance of scholars and places of knowledge.

Image

First, we focus on Dutch and Polish travellers’ responses to Oxford and Leiden. By reflecting on these cities, itinerants helped construct their reputations as hubs of knowledge and as the common ground of a larger academic community, with which the voyagers identified. Next, we discuss sites and artefacts connected to Lipsius, Grotius, and Erasmus, ranging from Lipsius’s silver pen in Halle to Erasmus’s statue in Rotterdam and the grave of Grotius in Delft, all of which inspired travellers to relate to these famed men of letters. Lastly, we investigate how these and other locations and artefacts feature in the Latin poetry of two travellers: the Silesian-Polish Joachim Pastorius and the Dutch Caspar van Kinschot. Their verses show how they creatively engaged with universities and academic forebears.

Image

In our conclusion, we consider the various ways in which both Polish and Dutch travellers constructed an academic community via places and objects of knowledge, and we explain that, while some sites and artefacts were transconfessional, others inspired religious controversy. Also, we assert that the learned imagined community not only transcended national and (to an extent) religious boundaries, but chronological ones as well, since places and objects of scholarly memory were portals through which generational borders could be crossed.

The chapter includes some highly interesting finds, such as the earliest known published catalogue of rarities in Leiden’s hortus botanicus: an apparently unique document, dated 1653, which a Polish Jesuit added to his travelogue.

Our thanks go out to the editors!